Media Vita

Lotgevallen en Strapatsen

Media Vita header image 1

Smaak

maart 17th, 2011 · Absint, Drank, Eten, Leven

Über Geschmack lässt sich streiten, luidt de dooddoener die we in het Nederlands kennen als ‘over smaak valt niet te twisten’. Wellicht dat men in de polder- en maaiveldcultuur verschillen niet graag in geschillen vertaalt, maar die kwestie zullen we hier laten rusten. Ook in Nederland komen we soms de omgekeerde variant tegen, dat over smaak juist wel te twisten valt. Duidelijk is dat beide varianten exact hetzelfde willen uitdrukken, namelijk dat smaak niet absoluut is, maar persoonsgebonden en mogelijk groepsgebonden.

Wat bedoelen we met smaak? Smaak is een zintuiglijke gewaarwording en tevens ons oordeel over die gewaarwording; onze voorkeur of afkeer. Het is vooral de laatste betekenis die ons hier interesseert. Smaak is dan een schier oneindig ruim begrip, waarin bijvoorbeeld ook de voorkeur voor barokmuziek of symbolistische poëzie is opgenomen. We zullen ons hierin beperken en de nadruk leggen op de smaak van levensmiddelen. Daarbij vertrekken we niet vanuit een concrete vraagstelling of hypothese, maar zullen we uiteenlopende sporen in de wereld van de smaak verkennen. In onze verwondering dringen vragen zich vanzelf op.

De populariteit van de dooddoener waarmee we begonnen doet vermoeden dat iedere discussie over smaak op voorhand vruchteloos is. Maar toch, in de wereld van de smaak springen verschijnselen in het oog die om duiding schreeuwen. Hoe kan het dat in het land van confit de canard, foie gras en Gevrey-Chambertin, een aftreksel van Chinese steranijs, zoethout en karamel tot nationaal aperitief werd verheven? Hoe kan het dat in zo’n land massaal Heineken gedronken wordt? Hoe kan het dat in de Duitse keuken zo veel waarde wordt gehecht aan de kwaliteit van de ingrediënten, terwijl de boel vervolgens categorisch om zeep wordt geholpen met goedkope smaakmakers in helse combinaties? Hoe kan het dat in Nederland alles ofwel naar niets smaakt, ofwel verborgen gaat achter oosterse smaakmakers met een nasmaak die al gauw drie dagen aanhoudt, terwijl er in het hele land bijna geen fatsoenlijke plak ham te vinden is?

Het aantal vragen is eindeloos en we hebben allerminst de ambitie om ze van concrete antwoorden te voorzien. Wel denken we dat wansmaak in veel gevallen duidelijk aanwijsbaar is en daarmee vinden we een vertrekpunt van waaruit we naar hartenlust over smaak kunnen twisten. Het zal dan niet volstaan om te roepen dat een gewoonte smerig is. We zullen trachten het hoe en waarom van de wansmaak waar mogelijk te onderzoeken en op zijn minst van een context te voorzien.

Van het snobisme (denk aan het wijnsnobisme) kunnen we dankbaar gebruikmaken om te illustreren hoe de zintuiglijke gewaarwording vaak van ondergeschikt belang is in het smaakoordeel en dat factoren in de sociale omgeving van doorslaggevend belang zijn, zoals reputatie, prijs, consensus en zelfs groepsdwang. De essentie van het snobisme is immers om geaccepteerd te worden in kringen die als “voornaam” gelden en dat kan alleen door de ongeschreven regels die binnen die kringen gelden te volgen, dat wil zeggen: met het juiste uiterlijk vertoon.

Het snobisme is wijdverbreid en eenvoudig te herkennen, maar ook in individuele gevallen kan het smaakoordeel bepaald worden door factoren die weinig met de zintuigen van doen hebben. Zo hield mijn vader vol dat Heineken een lekker pilsener was. Redelijkerwijs zou je denken dat een ieder eenvoudig zintuiglijk kan vaststellen dat het een pilsener van niets betreft, en dat het een wonder is dat er überhaupt ergens iets van verkocht wordt. Zo werkt het niet. Een Nederlands pilsener dat in heel Frankrijk gedronken wordt kon voor mijn vader nooit slecht zijn, neem ik aan. Rationalisatie en cognitieve dissonantiereductie zijn doorslaggevend in het smaakoordeel.

Dit is geen uitzonderlijk geval. Met de herintroductie van de absint hebben we gezien hebben we gezien hoe de markt werd overspoeld met onbetaalbare, ondrinkbare brol waar de consument warm voor liep, juist omdat het duur was, rijk aan thujon waarvan je zou gaan trippen, zodat dit wel het echte spul moest zijn. Beste lezer, laat dit goed tot u doordringen: als externe factoren voldoende gewicht in de schaal leggen, is de zintuiglijke gewaarwording volstrekt onbeduidend.

De meeste jonge jenever is gedegradeerd tot verdunde instustrie-alcohol in een fles. De doelgroep van dit product is dramatisch geslonken, omdat jenever die vieze borrel van opa was, en voor echte jenever is nauwelijks nog belangstelling. Hetzelfde product gebotteld als wodka verkoopt evenwel als warme broodje. Wodka is hip (en lekker?). Op vergelijkbare wijze zijn in België vaten vol oude jenever omgetoverd tot hippe Belgische whisky. In deze gevallen wordt de beleving van het product volledig bepaald door het etiket en niet door wat onder de kurk zit.

De komende weken (maanden, jaren?) zullen we wat terreinverkenningen doen in de wereld van de smaak, wanneer we zin hebben. We weten dat het een onredelijke wereld is. Wie zou willen volhouden dat er in een onredelijke wereld niet te twisten valt?

→ 1 ReactieTags:

Berenhap

december 10th, 2010 · Eten, Leven, Niederrheinische Nachrichten

Van de week at ik in oostelijk Nederland een zogenaamde berenhap. Huisgemaakt. Die specialiteit kende ik zelf enkel als berenklauw en ik was er al heel lang geleden door getraumatiseerd. Toch doen! Samen met snacks als de pikanto gaat het om een soort vergrotende trap van de frikandel. Dat is het transgressiebeginsel in de Nederlandse volksgastronomie: het kan altijd gruwelijker. Goed, de Currywurst getuigt van wansmaak, maar de berenhap getuigt van ontmenselijking. Niet minder dan dat.

→ 1 ReactieTags:

Stilte

november 10th, 2010 · Leven

Het is hip om keihard met jezelf geconfronteerd te worden door een coach. Ik heb al vaak geprobeerd uit te leggen waarom ik dat niets vind.

Ten eerste denk ik dat het in een mensenleven nooit zover zou moeten komen. Dat leest u goed, ja. Ik vel hier een moreel oordeel. Alleen wie zichzelf voortdurend uit de weg gaat kan door een ander met zichzelf geconfronteerd worden. En dat vind ik abject. Jezelf uit de weg gaan betekent dat je schijt hebt aan jezelf en aan anderen, ten gunste van de schone schijn. Keert de wereld zich daardoor tegen je, dan is dat een welverdiend loon.

Ten tweede denk ik dat coaches van toeten noch blazen weten. Ze belagen je met uit de lucht gegrepen tactieken. Wie daar niet op bedacht is, zal er op een onprettige manier van onder de indruk zijn en het verworven onbehagen aanzien voor zelfinzicht.

Eerlijk gezegd heb ik geen idee of er zoiets als een zelf werkelijk bestaat, laat staan een inzicht daarin, maar ik ben in de loop der jaren redelijk vertrouwd geraakt met de persoon die ik ben. Ik voel geen behoefte hem voortdurend te ontlopen. Dat zou me het gevoel geven dat ik wat mis.

Het fijne van een afgezonderd leven op het platteland is dat je jezelf steeds tegenkomt. Zet alle apparaten om je heen uit en de omgeving bestaat uit niets dan stilte en duisternis. Met name de stilte is weldadig.

Ik denk dat het geen toeval is dat mensen die altijd behoefte hebben aan prikkels ook altijd op zoek zijn naar bewustwording en zingeving, en vooral: naar hulp daarbij. Dat is geen inzicht van me, nee, maar ik doe er niet aan mee en hef nog altijd liever het glas met die vent die zonder woorden de stilte doorbreekt en wiens moeilijkheden ik maar al te graag onder ogen zie.

→ 1 ReactieTags:

Aviodomekoepel

november 5th, 2010 · Letteren, Leven

Nu voor een habbekrats!
Binnen- en buitenschil
Mooi geodetisch ook
Neem hem maar mee!

Deze kolomloze
Aviodomekoepel
Multi-inzetbaar als
Kerk of moskee.

– Serge Helfrich en Peter Knipmeijer
http://on.fb.me/9QriDV

→ 1 ReactieTags:

Hollanders in het gebergte

september 11th, 2010 · Niederrheinische Nachrichten

Cornelis Pronk -- Nütterden (1731)

Op een voettocht van Amsterdam naar Kleef, in 1721, komt Cornelis Pronk met een groep vrienden aan in herberg De Swarte Raven, gelegen nabij een berg, de Hingstberg. Ene Pieter van der Werf noteert in zijn reisjournaal:

Aldus voortwandelende in gesigt van seer veel koornakkers aan wederzyde van den weg, kwamen wy aan zekere herberg, de Swarte Raven genaamt, ten ses uuren, onderwylen dat een van ons geselschap – tussen Kranenburg en deze herberg – op een hessenkar gezeten had. Alhier was wederom een seer vermakelyke plysterplaats, leggende tegens het gebergte en’t walt, ‘t welk een seer groot digt bos is van enige mylen groot. Vortoefden alhier een wyl tyts, om de aangenaamheyd van deze landstreek te beschouwen. Tot nogtoe konden wy de stad Cleef niet sien – hoewel wij niet veer van deselve af waren – om dat deselve achter dit gebergte en walt gelegen is. Terwyl men alhier eens plysterden, gebeurden’t, dat enen van ons geselschap – door noot geparst zynde – sig gaarne van enig gemak wilde bedienen. Maar zulks alhier nog in de emleggende landstreken – uytgezondert in de steden – niet kunnende bekomen, wierd, wanneer men daar na vroeg, met laggen beantwoort. Derhalve moest men, met het geslagt der beesten, het land helpen bemesten.

→ Geen ReactiesTags:

Grofvuil

augustus 31st, 2010 · Leven, Niederrheinische Nachrichten

Morgen wordt het afgehaald, als er nog wat over is. Het is weer een af- en aanrijden van Poolse en Nederlandse bestelwagens. We gokten op een afhaaltijd van twee minuten voor een CRT-monitor. Te pessimistisch. Den Ollander had het ding al gesignaleerd voordat we bij het trottoir aankwamen. “Betaole? Betaole?” “Nee man, neem lekker mee.” Normalerwijze is bijna alles hier goedkoper. Vanavond is bijna alles gratis. Het is een feestavond.

→ Geen ReactiesTags:

Waarheidsrelativisme en melk

juli 11th, 2010 · Drank, Eten, Leven

Zo af en toe zoek ik op het Internet nog naar meningen over melk binnen het Nederlandse taalgebied. Daarbij stuit ik nu op de doctoraalscriptie van ene Grietje Keller over borstvoeding: Melk, macht en maatschappij.

Wanneer ik een wetenschappelijke publicatie lees, begin ik meestal met de samenvatting en de conclusie, zodat ik in ieder geval weet wat de strekking ervan is. Naar de samenvatting zoek ik nu vergeefs en de conclusie bevat weinig heldere gevolgtrekkingen. Als uitsmijter krijgen we de volgende zin voorgeschoteld: “Individuele vrouwen worden aangemoedigd borstvoeding te geven met verwijzing naar statistische gegevens die vooral betekenis hebben op nationaal niveau.” Mocht u hierdoor geïntrigeerd zijn, dan raad ik u aan de scriptie te lezen.

Er wordt niet voor of tegen borstvoeding betoogd. De strekking is dat het al dan niet geven van borstvoeding bepaald is door sociaal-maatschappelijke factoren. De sleutel tot de verhandeling is een oude bekende: de waarheid is nooit onbemiddeld. We bevinden ons hier binnen het nog altijd modieuze waarheidsrelativisme en rondom de waarheden rond borstvoeding en natuur versus cultuur. Aan de hand van Foucault wordt geïllustreerd hoe die waarheden binnen de samenleving tot stand zouden komen. Vervolgens wordt geschetst hoe ontwikkelingen in Nederland, zoals de eerste en tweede femistische golf, de opvatingen over bortsvoeding hebben bepaald of juist niet.

Bij het waarheidsrelativisme wil ik even stil blijven staan. Het is de sleutel tot dergelijke teksten en het vormt een plaag binnen de sociale wetenschappen. Daarbij hanteer ik het gegeneraliseerde begrip ‘waarheidsrelativisme’, zonder rekening te houden met alle perspectivistische, postmodernistische, poststructuralistische en sociaal-constructivistische varianten ervan.

In zijn huidige vorm gaat het waarheidsrelativisme terug op Nietzsche. Die beweert dat een idee nooit onafhankelijk is van degene die het idee heeft en wel omdat het idee een zeker belang dient. De werkelijkheid is daarentegen veranderlijk en door onze ideeën eraan op te leggen, wat we kennen noemen, doen we de werkelijkheid geweld aan. De voortdurende veranderlijkheid zal nooit kenbaar zijn en daarop loopt de wetenschap uiteindelijk stuk.

Dit roept onmiddellijk allerlei vragen op. Geldt dit voor zowel religieuze, morele als natuurwetenschappelijke waarheden? Kan het waarheidsrelativisme zelf wel waar zijn? Filosofische haarkloverijen, wat mij betreft.

Laten we het waarheidsrelativisme eerst eens bezien in de meest banale vorm: alle waarheid is afspraak. Ik heb waarheidsrelativisten gekend die volhouden dat 1 + 1 = 2 een sociale afspraak is. Dat kan onmogelijk zo zijn. Als ik één pen op mijn bureau leg en vervolgens nog één pen, dan liggen er twee pennen op mijn bureau. Is dit geen wagenwijd openstaande deur? Toch wel, maar de waarheidsrelativisten willen hem met alle geweld dicht hebben. Ze noemen dat: kritisch denken en het schijnbaar vanzelfsprekende niet zomaar aannemen. (“Kritische theorie” is de verzamelnaam voor al hun denkrichtingen.) Ondertussen wordt 1 + 1 nooit 3 of 698.

Wat wel een afspraak is, is hoe we onze waarheid noteren. We kunnen bijvoorbeeld I + I = II schrijven. Dan passen we de afspraken van de Romeinse getalnotatie toe. Voor moeilijkere sommen is dat een slecht idee en daarom hebben we afgesproken om getallen op z’n Arabisch te noteren. Hier zien we dus wél het belang van de keuze voor een idee, maar het betreft slechts een notatie. De onderliggende waarheid, die ik ook met twee pennen kan weergeven, blijft onveranderd.

Ook kunnen we afspreken (in theorie) om 1 + 1 = 3 te schrijven. 3 krijgt dan de betekenis van wat we voorheen als 2 schreven. Ook dan blijft de onderliggende waarheid uiteraard onveranderd. We moeten slechts wat praktische problemen rond de notatie zien op te lossen, zoals een nieuwe betekenis toekennen aan het symbool 2 en vooral wennen aan het idee dat we het vanaf nu allemaal anders gaan doen.

Minder apodictisch wordt het als we het over de waarheid van natuurwetten hebben, zoals Newtons hoofdwetten van de mechanica. We kunnen experimenteel vaststellen dat de verandering in impuls van een voorwerp gelijk is aan de kracht die erop inwerkt. Als de massa constant is, dan kunnen we afspreken deze tweede hoofdwet vereenvoudigd te noteren als F=ma, met a als de versnelling van het voorwerp.

Hoe “waar” een natuurwet is kunnen we inschatten door deze experimenteel te onderzoeken, dat wil zeggen te toetsen en pogen te weerleggen. In het geval van de hoofdwetten van Newton hebben we in de loop van de twintigste eeuw gezien dat ze niet helemaal waar kunnen zijn. Op kosmisch en subatomair niveau gaan ze niet altijd meer op en zijn er nieuwe theorieën nodig die de werkelijkheid beter benaderen, zoals de relativiteitstheorie en de kwantummechanica.

Toch hanteren we in onze alledaagse mechanica nog altijd de wetten van Newton, omdat ze op dat niveau adequaat zijn. Het zijn geen absolute, maar instrumentele waarheden waar een groot deel van onze technologie op gebaseerd is. Wat nu als we ze als sociaal-maatschappelijke constructies zien en ze op een andere manier pogen te definiëren – als we ze als afspraken behandelen? Dan lopen de motoren in onze auto’s vast, storten onze kantoorgebouwen in en komen onze vliegtuigen niet van de grond. In die zin is er niets relatiefs aan hun waarheid.

Nog lastiger wordt het met de waarheden die we niet kunnen tellen, berekenen of nameten, maar die we zelf benoemen: we nemen in de wereld een onderscheid waar tussen de verschijnselen en noemen noemen het ene vervolgens zus en het andere zo. Hoe absoluut kunnen de waarheden achter die benoemingen zijn? Dat verschilt sterk. IJzer wordt nooit hout, maar wat voor de een cultuur is, valt voor de ander onder natuur.

Als we eerlijk zijn geven we toe dat de waarheidsrelativisten hun pijlen meestal richten op dit soort maatschappelijke of “contingente” waarheden. Het risico van die benadering is dat de aandacht zich vooral richt op de sociaal-maatschappelijke factoren die de definities (van een begrip als “natuur” of “waanzin” of “vrouw”) zouden bepalen en niet op de weerbarstige aspecten van de werkelijkheid die onder zo’n definitie komen te vallen (de kracht der elementen is sterker dan onze definities, waanzin kan een cognitief defect zijn met een organische oorzaak en vrouwen hebben borsten en eierstokken). Dit nu, is precies wat er gebeurt in de doctoraalscriptie van Grietje Keller.

Allereerst wordt betoogd dat het begrip natuur bemiddeld is (als onderscheiden van cultuur of kunstmatigheid). Dat is natuurlijk zo. Neeltje Jans zien wij niet als natuur, maar de dam van een bever wel. We zouden de definitie van natuur eenvoudig dusdanig ver kunnen oprekken dat ook alle menselijke gedragingen eronder vallen. Waar halen we eigenlijk de arrogantie vandaan om dat niet te doen? Uit onze culturele erfenis als Kroon op Gods Schepping? Of zou het gewoon een onhandige definitie zijn? Natuurbehoud zou bijvoorbeeld een betekenisloos begrip worden. We zouden het Groene Hart eindelijk helemaal kunnen asfalteren zonder dat er natuur verloren gaat.

In het borstvoedingsverhaal zien we dat het onderscheid gemaakt kan worden tussen natuurlijke voeding, de borst, en kunstmatige voeding, de fles koemelk, maar dat het evengoed anders kan: de melk als natuur en de opvattingen over over borst en fles als cultuur. Die opvattingen zijn het geheel van aangeleerd gedrag over het zogen van baby’s. Is dat laatste onderscheid wel juist? Hoe we natuur ook definiëren, de mens heeft eerst een culturele ontwikkeling moeten doormaken, veeteler moeten worden om zijn nageslacht te kunnen zogen met koemelk. Alleen daarom al zoogt geen dier jongen met de melk van een ander dier. Koemelk is voor ons mensen altijd kunstmatig en moedermelk altijd natuurlijk (al smukken we de natuur met zoveel moederborstcultuur op als ons lief is).

Zo simpel is het volgens mij, maar Grietje Keller voert ons met Foucault mee langs natiestaten, nationale identiteiten, efficiënte en geïndustrialiseerde samenlevingen, medicalisaties van moeder en kind — machtsstructuren die bepalen wat natuurlijk en gezond voor ons is.

Die aanpak gaat voorbij aan de werkelijke verschilllen tussen koemelk en moedermelk. Koemelk zit vol lichaamsvreemde eiwitten, biedt geen enkele lichaamseigen antistof en kan daarom in loutere essentie niet zo gezond zijn voor een zuigeling als moedermelk. Juist daarom noemen we moedermelk natuurlijk. Een aanpak op de manier van Foucault gaat aan dit soort essenties voorbij. Dit zijn ook niet het soort waarheden waar het waarheidsrelativisme veel mee kan: het is de weerbarstige werkelijkheid van de natuur zelf.(*)

Voor de duidelijkheid wil ik stellen dat ik hier geen pleidooi houd voor moedermelk. Ik heb daar namelijk geen enkel belang bij (waarmee ik de waarheidsrelativisten vermoedelijk het zwaarste wapen uit handen neem). Wel pleit ik tegen het waarheidsrelativisme dat al dan niet bewust aan essenties voorbijgaat en in plaats daarvan in de periferie van ons kennen allerlei vermeend corrumperende machtsstructuren te lijf gaat die bepalen wat wij als waar zouden aannemen.

Tot slot vragen we ons af waar voor het waarheidsrelativisme nu eigenlijk de winst te behalen valt. Veelal vinden we het verschijnsel terug in sociaal bewogen, misschien mogen we zeggen ‘links’, emancipatoire en feministische kringen. Daar zit hem dan ook de kracht. Het waarheidsrelativisme biedt ten eerste maakbaarheid en ten tweede een legitimatie voor verzet:
* Als er geen absolute waarheden zijn, dan zijn ze tijdelijk en kunstmatig. Er is geen absolute werkelijkheid die ons waarheden afdwingt. Het leven en de maatschappij zijn maakbaar.
* Alles wat toch als waar geldt, is sociaal-maatschappelijk bepaald en komt voort uit ideeën die een belang dienen. Tegen die belangen kunnen we in verzet komen. Met waarheidsrelativisme voeren we onze vrijheidsstrijd, om het even tegen de borstklier, de man, het kapitaal, kerk of de wetenschap.

Kortom, als er een vorm van denken is die bij uitstek belangen dient, dan is het het waarheidsrelativisme zelf. Daarbij kunnen we nog aantekenen dat in het geval van de emancipatie van de borst, de koemelkmaffia danig in de kaart is gespeeld, waarbij Joris Driepinter zijn leugens probleemloos als waarheden kon verkopen – leugens waarin veel feministen al te graag blijven geloven. De kennis waarmee we ze ontmaskeren is voor hen immers relatief.

(*) Wat we bij Foucault zien is dat hij zelf de historische gegevens bij elkaar graait en opstapelt voor zijn eigen denkbouwwerk. Hoe kan ik als lezer nagaan in welke mate hij zelf zijn Grieken uitvindt ten bate van zijn hoogsteigen ethiek? Die truc zien we al bij Nietzsche: door zijn portrettering van de presocratici kan hij zijn grote boosdoener aanwijzen: Plato. Dat was de man die begon met het zoeken naar een absolute waarheid achter de veranderlijke verschijnselen. Daarmee begon ook de verabsolutering van de moraal, van Goed en Kwaad.

→ 1 ReactieTags:

Hoegaarden

juli 10th, 2010 · Drank, Leven

Vanwaar toch die Hoegaardenterreur in Nederland? Een jaar of twintig geleden was speciaal bier buitengewoon hip. Zo ook Hoegaarden. De nationale belangstelling voor bier taande later fors (het maaiveld waar beneden gebleven moet worden is immers bepaald door uilenzeik), maar Hoegaarden hield stand. Erger, de tegenwoordigheid ervan nam uiteindelijk alleen maar toe.

Gisteren bezocht ik mijn ouderlijk huis. Ik was uitgedroogd en ik snelde naar de koelkast. Die bleek tot mijn ontzetting gevuld met louter flesjes van die zure brol. Geen bier te bekennen. Ik voelde het bloed uit mijn hoofd en leden wegtrekken. Uit diepe ellende heb ik urenlang water en ginger ale gedronken. Het thuisfront was gevallen.

→ Geen ReactiesTags:

Filosofie

mei 31st, 2010 · Letteren, Leven

De hoogste cijfers op de lijst bij mijn bul waren voor filosofie. Filosofie I, filosofie II en een filosofiescriptie waarin een eigen vraagstelling werd uitgewerkt. Daarnaast ontdekte ik Schopenhauer en Nietzsche, die ik allebei erg grappig vond, maar die buiten het curriculum vielen. Van Stirner had ik toen nog nooit gehoord. Al met al kregen we als bèta-studenten heel wat filosofie voor onze kiezen en dan heb ik het niet eens over de wezenlijke metafysische vraagstukken die in de kroeg werden opgelost.

Waarom was ik er zo goed in? Ik hanteerde louter het fileermes in mijn behandeling van al die grote geesten. Een en al negativiteit was het. Blijkbaar werkte dat. De filosofieprofessor zei dat ik heel erg goed kon denken, maar gebood me er rekening mee te houden dat de meeste mensen dat nu eenmaal niet kunnen. Dat laatste kan ik overigens niet vaak genoeg herhalen, al ben ik het er in verschillende opzichten hartgrondig mee oneens. Het is een zwakte van me.

Als antifilosoof haalde ik denkend, afwegend en filerend mijn punten binnen. Onfilosofischer dan ik kon je nauwelijks zijn. Mijn filosofiecijfer was een judasloon.

Toch ben ik blij met die filosofische bagage. Zonder deze had ik dit inzicht nooit verworven. Welk inzicht? Misschien zie ik het helemaal verkeerd en is het bloederige karkas dat ik achterliet juist mijn eigen filosofie. In dat geval zou het de hoogste tijd kunnen zijn om een hoofdwerk te schrijven.

→ Geen ReactiesTags:

Erasmusbrug

april 15th, 2010 · Beeldende kunst, Leven

Welke gek is ooit op het idee gekomen om de Rotterdamse Erasmusbrug te vergelijken met een zwaan? Een zwaan straalt elegantie en autonomie uit, de Erasmusbrug disproportie en geknaktheid. Je zou kunnen denken aan de zwaan geschoten door Parzival, geveld door de zuivere naïviteit, maar dat is vast niet de bedoeling.

In Moyland werd ik gewezen op de doeken van een of andere Chinees, zwarte vlakken met allerlei rotzooi erdoorheen. Deze waren getiteld: Water. Op zo’n manier is de Erasmusbrug een zwaan, maar ik geloof niet dat de ontwerper het ding zelf ooit een zwaan genoemd heeft.

Toen de brug destijds na oplevering meteen begon te rammelen in de wind, zag ik dat als een soort existentiële noodkreet van de brug zelf: “Ik besta. Help!” Als een in de lucht gestoken gebroken bot straalt de brug gebrekkigheid uit en als een geknikte fallus lulligheid, of erger nog: gemankeerde lulligheid.

Maar, al zijn de rijstroken aan de smalle kant, iedereen vindt het wel een mooi ding, en dat is toch wat telt. De schepper kan zich met reden steeds weer beroepen op het beeldrecht dat op zijn gedrocht rust.

→ 3 ReactiesTags: